Python Brongersmai
Wetenschappelijke Naam: Python Brongersmai
Andere benamingen: Rode bloedpython, Maleisië bloedpython, kortstaartpython
Algemeen:
Dit is de grootste van de drie ondersoorten,.
De kortstaartpython kent drie soorten: python curtus, python breiteinsteini, python Brongersmai.
Ze worden ook wel bloedpythons genoemd ,maar de Brongersmai is eigenlijk de enige die de naam toekomt omdat de kleur op gedroogd bloed lijkt.
Deze dieren staan bekend al een zeer humeurig dier dat vaak aanvalt.
Voor deze soort geld hetzelfde als voor alle pythons, veel hanteren als ze jong zijn
Grootte en uiterlijk:
Dit is een zeer zwaarlijvige slang. Volwassen dieren hebben een massief lichaam. De kop is lang en breed, wijder dan de nek; De staart is kort en puntig. De meeste volwassen vrouwen meten 1,50 tot 2.50 meter. Mannen blijven meestal wat kleiner.
Het is niet ongewoon als de wat oudere vrouwen wat groter worden. Soms wel 3 meter.
Het is een kleurrijke slang met vaak indrukwekkende tekeningen.
De kleur van de slang is vaak donkerrood (op gedroogd bloed) met geel en zwarte tekening.
De kop van het dier varieert tussen grijzig, zwart, of bronskleurig.
Herkomst:
De Python Brongersmai wordt gevonden in Maleisië, Sumatra, Bangka eilanden, en eilanden rond de straat van Malacca, inclusief Lingga, Riay en Pinang.
In gebieden met middel en zwaar beboste gebieden met veel vocht. Zo af en toe kom je ze ook tegen in de buurt van akkerbouw. Dit omdat er hier veel knaagdieren voorkomen.
Grootte van het verblijf:
Voor de Python Brongersmai is een goed geventileerd verblijf nodig. Maak het verblijf ook stevig genoeg, Brongersmai’s zijn ongelofelijk sterke dieren.
Voor deze dieren is niet echt een heel groot verblijf nodig, aangezien dit 1 van de inactiefste slangen zijn die ik ken. Soms liggen ze dagenlang op dezelfde plek.
Mijn P. Brongersmai liggen beiden apart in een bak van 120*60*50 (L*D*H).
Groter is altijd beter, maar waarom groot als de dieren deze ruimte toch niet gebruiken.
Maak ook een goede verstopplaats. Denk hierbij aan een omgekeerde bloempot, boomstronk, schors etc etc.
Bodembedekking:
Mijn ervaring is, dat bloedpythons het erg goed doen met kranten als bodembedekker.
Dit is niet alleen hygiënisch maar ook makkelijk te verwisselen, dus het verblijf is sneller schoon te houden. Ook zie je de uitwerpselen snel liggen. Krantje eruit, nieuwe erin en klaar.
Maar om een wat natuurlijk uiterlijk aan je verblijf te geven kan je ook coco peat (houd goed vocht vast), beukensnippers, of vlas gebruiken. Ik raad het in ieder geval niet aan, omdat het moeilijker schoon te maken is en het gevaar van parasieten, bacteriën en schimmels veel groter is.
Water en luchtvochtigheid:
Schoon water behoort altijd aanwezig te zijn, in een makkelijk schoon te maken bak.
Hierbij kun je denken aan een curverbak of een stenen drinkbak met geglazuurde binnenzijde.
Ververs het water het liefst elke dag. Ik zelf doe het om de dag.
Geef de dieren een niet al te grootte waterbak, Dit omdat de Brongersmai vaak anders dagen in het water ligt. Besluit je dit wel te doen, giet dan niet meer dan 5 cm water in de bak. Zo kan de slang niet per ongeluk verdrinken.
Geef geen water dat te koud is, omdat de slangen hier een te grote temperatuurswisseling door ervaren en in een soort shock kunnen raken of onderkoeling verschijnselen krijgen
Laat het water niet te warm worden(bacterie groei).
De luchtvochtigheid behoord ook vrij hoog te zijn. Voor volwassen dieren ongeveer 70/80% en voor de jonge en net geboren dieren 80/85%.
Het is aan te raden om een curverbak (met deksel) gevuld met vochtig spagnum in het verblijf te zetten. Maak een opening in de voorkant zodat de slang hier goed in en uit kan kruipen.
Nu kan de slang zelf kiezen hou vochtig hij/zij ligt.
Temperaturen:
Bloedpythons doen het goed met een dag temperatuur tussen de 28 en 30 graden.
Probeer wel een leefomgeving te krijgen waarin de slang zelf zijn temperatuur kan kiezen. Hiermee bedoel ik dat de ene kant van het verblijf warmer moet zijn dan de andere kant. De warme kant houd je ongeveer tussen de 30/ 33 graden. s’Nachts mag de temperatuur dalen naar 23 graden.
Voedsel:
Het algemene voedsel voor de python zijn ratten, maar grote dieren kunnen ook cavia’s en konijnen eten.
Jonge dieren beginnen meestal met het eten van levende pinky’s (nestmuisjes) of fuzzy’s (nestratten).
Als ze eenmaal eten zijn het vreetmachines.
Probeer als ze eenmaal eten om over te stappen op diepvriesvoer of prekilled. De kans is namelijk groot dat een levend prooidier de slang kan verwonden als deze hier geen interesse in toont. jonge dieren kun je 1 maal per week een prooidier geven. volwassen dieren een grote prooi in de 2 a 3 weken.
Geslachtsbepaling:
Het geslacht van python curtus is zoals praktisch bij elke slang best te bepalen via sonderen. Bij mannetjes kom je 9 tot 11 schubben diep. Bij vrouwtjes kom je 2 tot 4 schubben diep. Op de klauwtjes, die ook deze slang heeft, mag men niet voortgaan. Bij 90% van de gevallen is een slang met grote klauwen, een man. Maar wat met die 10% vrouwtjes die grotere klauwen hebben dan veel mannetjes? Een volwassen curtus sondeer je best niet alleen. Je kan het besten het dier in een linnen zak stoppen en zijn staart eruit halen. Dan houd iemand de zak strak rond zijn staart dicht. Iemand extra om zijn staart of kop vast te houden is nog beter. En dan voorzichtig. Jonge curtussen "poppen" is zeker niet aan te raden. Ik vind persoonlijk poppen nogal gevaarlijk, maar bij curtussen is het zeker gevaarlijk. De naam zegt het zelf: kortstaartpython. Het staartje is bij jonge slangen dus heel broos. Als je beslist dit toch te doen laat het dan doen door iemand die er veel ervaring mee heeft.
Paringen eieren en opfok:
Er zijn 2 paarperioden: november -december en maart -april.
De eieren zijn 64-81mm lang en 50-59mm breed. In de broedkast moet het ongeveer 29/32°C zijn en een hoge luchtvochtigheid (90-100%).
De eieren worden in een schaal gelegd met vochtige vermiculite en een laagje droge vermiculite word erop gestrooid. Het is makkelijk om eerst putjes te maken waar de eieren in passen. De dieren komen uit tussen de 69 en de 74 dagen.
Als er jongen zijn die niet binnen de 2 dagen uit het ei komen nadat het eerste dier het ei aansneed, geef dan een knipje in het ei. Bij eieren waarin jongen zitten die te lang met hun kopje uit het ei blijven zitten, kan het gaatje groter gemaakt worden. Let wel op als je in eieren knipt dat je niet in het vlies snijd. Om te knippen gebruik je best een klein schaartje
Jonge dieren zijn het beste te houden op cocopeat, omdat dit goed vochtig te houden is en de jongen zich hierin verstoppen.